Politiek

Bij VMBO Maastricht was besturen op afstand juist het probleem

Na een melding van een klokkenluider werden door de onderwijsinspectie 354 examens op de enige VMBO-school van Maastricht ongeldig verklaard omdat niet voldaan was aan verplichtingen van het schoolexamen. Door veelvuldige lesuitval vanwege ziekte (en dus het lerarentekort) waren onderdelen niet afgesloten, maar vervolgens wel becijferd. Al in 2016 hadden ouders bij de inspectie geklaagd over deze structurele lesuitval. Ouders schreven ook een brandbrief naar de verantwoordelijke bestuurders van de onderwijskoepel LVO, het bevoegd gezag van de vmbo-school. Bestuur en inspectie waren dus op de hoogte.

De verantwoordelijke bestuurder is André Postema, tevens PvdA senator. In tegenstelling tot andere bestuurders trad hij niet af, maar hield hij zijn rug recht. De inspectie had de examens niet collectief ongeldig mogen verklaren, vond hij. Moedig gedrag van een bestuurder die in zwaar weer zelf aan het roer blijft staan?

Op afstand

Volgens oud-minister van onderwijs Jo Ritzen valt Postema niet veel te verwijten. Besturen op afstand, is de filosofie van Postema. De verantwoordelijkheid laag in de organisatie leggen. Dat het zo mis zou gaan, kon niemand voorzien. Als bestuurder legt Postema ‘de individuele verantwoordelijkheid bij de scholen. Dat is onder alle omstandigheden verantwoord’, aldus Ritzen die als minister zelf de architect was van de enorme schaalvergrotingsoperatie in het onderwijs en het op afstand plaatsen van de overheid in de jaren negentig. De scholengroep van Postema is er een gevolg van.

Valt Postema inderdaad weinig te verwijten? Dat vraagt om een visie op dit type scholen en op de manier van besturen die daarmee samenhangt. Bij een dergelijke schaalgrootte wordt de onderwijskwaliteit op allerlei manier gemonitord, meestal vastgelegd in tal van protocollen en documenten. Dat was ook op deze VMBO-school het geval. Daar was sprake van ‘vensters van verantwoording’ met tal van kwaliteitsindicatoren. Formeel allemaal op orde dus.

Maar, werd de hoge mate van lesuitval niet zichtbaar in een van die vensters? Hoe vaak is dat geagendeerd door het bestuur van LVO? Of werd dat probleem vooral gedelegeerd? Wie lag er wakker van? Dat zijn relevante vragen die aan Postema gesteld moeten worden. Op kleinere scholen is lesuitval meteen de zorg van de directie zelf en moet die directie zelf de verontruste ouders te woord staan.

Structurele lesuitval in examenklassen is voor iedere school een groot probleem. Het programma van het schoolexamen moet op het vmbo in de klassen 3 en 4 worden afgenomen. Als dat niet op alle onderdelen lukt, kunnen leerlingen formeel geen examen doen. Naar buiten kwam dat er praktijk bestond van het toekennen van het cijfer 1 als een toets niet was gemaakt. Volgens artikel 5 van het Examenbesluit VO moeten dergelijke administratieve cijfertoekenningen worden gemeld bij de inspectie. Werd dat zo uitgevoerd? Ook naar buiten kwam dat docenten dan een 1.1 meldden om dit probleem te voorkomen. Was er een examensecretaris met voldoende kennis van wet- en regelgeving, had hij enige zeggenschap? Wie was voorzitter van de examencommissie? Werden deze praktijken gemeld in een van de vensters van verantwoording? Wat wist Postema hiervan?

Gerommel

Als dergelijk gerommel op grote schaal voorkomt, is er ook iets flink mis met de beroepsethiek van de betrokken leraren. Hoe kan het zover komen? Meestal is er dan sprake van langdurige vervreemding tussen directie en leraren. Voelden de leraren zich door hun directie gesteund? Herkenden zij zich in wat er in die vensters van verantwoording over hun school werd gerapporteerd? Of waren het vooral papieren tijgers?

Ver weg van de dagelijkse ellende van lesuitval, verzuim van leerlingen die toetsen missen en moeten inhalen, staat het vergaderwerk van mensen als André Postema. Kent hij zelf de wet- en regelgeving? Of is er iemand die dat voor hem bijhoudt en op afstand marginaal toetst of de school aan de normen voldoet?

Het probleem van dit soort schaalvergroting is keer op keer dat de mensen die de dagelijkse last van het onderwijs dragen nauwelijks een beslissende stem hebben in al deze processen die worden uitgevoerd en bedacht door mensen die zelf niet lesgeven en vaak ook nooit lesgegeven hebben.

Dan meldt een bestuur dat het onderwijs toekomstgericht is, en dat eenentwintigste-eeuwse vaardigheden centraal staan. Maar is de echte onderwijskwaliteit de zorg van anderen. Dat is ook in de eenentwintigste eeuw een groot probleem.