Maatschappij

Opruimen kernrampplek is ‘mikado in ’t groot’

CV Wim Turkenburg, ‘mr. kernenergie’


Wim Turkenburg (1947) studeerde natuurkunde, wiskunde en astronomie in Leiden. Hij is emeritus-hoogleraar ‘wetenschap, technologie en maatschappij’ aan de Universiteit Utrecht. Van 2001 tot 2011 was hij hoofd van het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling. Hij was mede-auteur van Global Energy Assessment – Toward a Sustainable Future (2012).

Vlak bij reactor 3 van de kerncentrale Fukushima Dai’ichi liep de straling in de bus soms even op tot 40 microsievert per uur, vertelt emeritus-hoogleraar Wim Turkenburg. Onlangs bezocht hij met milieuorganisatie Green Cross International de in 2011 bij een aardbeving zwaar beschadigde centrale in Japan. „Bij mij thuis in Amsterdam is de straling hooguit 0,075 microsievert”, zegt Turkenburg, in een krappe werkkamer van het Unnikgebouw van de Universiteit Utrecht. „De mannen die buiten in beschermende witte pakken bij de reactorgebouwen aan het werk waren, krijgen wel 40 tot 100 microsievert per uur.” Verder landinwaarts, in het gebied dat door de Japanse regering weer is vrijgegeven voor bewoning, wordt volgens Turkenburg op sommige plekken nog altijd zo’n 3 microsievert per uur gemeten.

De reactoren van Fukushima ontploften in maart 2011, nadat het gebied was getroffen door een aardbeving en een tsunami. Het was na Harrisburg en Tsjernobyl het derde ernstige ongeluk met een kerncentrale in ruim dertig jaar. De ramp voltrok zich in slow-motion, en voor het oog van de hele wereld. Wekenlang was Turkenburg een bijna dagelijkse gast in het journaal. Als een soort weerman legde hij in de studio met grafieken en kaarten uit wat zich de laatste uren had afgespeeld, en wat ons mogelijk nog te wachten stond.

De centrale was door de beving zwaar beschadigd en had zichzelf uitgeschakeld. Maar daarmee stopte ook de elektriciteitsvoorziening die de stroom leverde voor de koelpompen. Noodaggregaten hadden dat automatisch moeten overnemen, maar die werkten door de tsunami niet meer. De totale black-out leidde in de daarop volgende dagen tot een keten van reacties: smeltende splijtstofstaven, brand, waterstofexplosies en grote hoeveelheden radioactiviteit die tot ver in de omgeving werden verspreid.

Zeven jaar later zijn de opruimwerkzaamheden nog in volle gang, vertelt Turkenburg. Vooral het schoonmaken en onder controle houden van de reactoren die door de ramp het zwaarst werden getroffen is uiterst gecompliceerd. „In iedere reactor is de situatie anders. Reactor 4 was op het moment van de ramp buiten bedrijf. De splijtstofstaven waren uit de kern gehaald en in het koelbad gezet. Daar heeft een waterstofexplosie plaatsgevonden, waardoor er grote hoeveelheden puin in het koelbad terechtkwamen. Maar de kern is er niet gesmolten. De splijtstofstaven zijn in 2015 weggehaald en het gevaar is nu geweken.”„In drie reactoren is de kern gesmolten. De splijtstof is mogelijk tot twee meter diep in de betonnen bodem doorgedrongen. Alles is daar zo zwaar radioactief, dat mensen er niet of nauwelijks in kunnen. Het werk gebeurt op afstand met robots. Boven de reactorvaten en de koelbaden daarnaast, waarin nog steeds veel splijtstofstaven zitten, ligt allerlei troep – stalen pinnen, aluminium staketsels van het deels ingestorte interieur. Dat moet je eerst weghalen, voordat je bij de splijtstof kunt. Dat is een soort mikado in het groot. Als de zaak gaat schuiven en de splijtstofstaven daarbij beschadigd raken, kun je zomaar een nieuwe kernramp krijgen.”

Grote zakken vervuilde aarde

Intussen worden de reactoren en koelbaden permanent gekoeld via een provisorisch koelsysteem omdat het systeem van de centrale zelf niet meer werkt. „Ze injecteren zo’n drie kubieke meter water per uur in elk van de reactorkernen, die daardoor niet warmer worden dan ongeveer 25 graden Celcius”, zegt Turkenburg. „Dat water komt zwaar radioactief uit de reactor terug en wordt zo goed mogelijk gereinigd in een speciaal gebouwde fabriek. Het water wordt steeds hergebruikt. ”

Maar doordat er scheuren zitten in de fundering van de gebouwen, stroomt er constant grondwater naar binnen. Afhankelijk van de hoeveelheid neerslag nu zo’n 150 tot 200 kubieke meter per dag. Dat mengt zich met het koelwater, waardoor er iedere dag radioactief water overblijft. „Er staan al zo’n duizend vaten met elk 1000 kuub water. Om de zes dagen komt er één bij. Daar kunnen ze tot 2020 mee doorgaan, maar dan is er geen plek meer. En stapelen mag niet, vanwege het aardbevingsgevaar.”

In een gebied ter grootte van de provincie Utrecht rond de centrale wordt nog steeds gewerkt aan het schoonmaken van de grond. „In 2015 stonden overal grote zakken vervuilde aarde, langs wegen, in tuinen, in weilanden. Die zijn naar een centrale plek gebracht waar een speciale verbrandingsoven is gebouwd. Daar wordt alles gescheiden. De aarde en de as van de verbrandingsinstallatie wordt centraal opgeslagen, tot de intensiteit van de straling lager is dan 8.000 becquerel per kilo. Dan heet het niet langer radioactief. Ze willen het gebruiken voor wegen en funderingen.”

Veilig of niet, deze maatregelen helpen niet om het vertrouwen van de bevolking terug te winnen. Na de ramp moesten 160.000 mensen het besmette gebied verlaten. Er bestonden geen evacuatieplannen, want zo’n ramp zou volgens de regering nooit gebeuren.

Veel evacués leven nog steeds in kleine containerwoninkjes, vertelt Turkenburg. Hij bezocht dit keer onder andere het dorp Katsurao, waar voor de ramp zo’n 1.600 mensen woonden. „De burgemeester heeft als een soort rattenvanger van Hamelen zijn inwoners meteen na de eerste waterstofexplosie meegenomen, weg van de centrale, naar Fukushima-stad en later nog 50 kilometer daar vandaan. Hij kreeg er een prijs voor van de VN. Het dorp ligt grotendeels in het gebied dat weer is vrijgegeven, inmiddels 800 vierkante kilometer. Maar er zijn nog maar 220 mensen teruggekeerd, onder wie zo’n 15 kinderen. Ze spelen tegenwoordig pingpong, want een voetbalelftal kunnen ze niet meer samenstellen.”

Turkenburg begrijpt hun bezorgdheid goed. „De regering heeft het maximaal acceptabele stralingsniveau verhoogd van 1 naar 20 millisievert per jaar. Ik zou mijn kleinkinderen daar niet aan blootgesteld willen zien – het risico dat zij door die straling een tumor oplopen en over twintig jaar aan kanker sterven is vijf tot tien keer zo groot als bij volwassenen.”

Stress en eenzaamheid

Een speciale overheidsorganisatie volgt nauwgezet hoe het gaat met de geëvacueerden. Al 1.500 mensen – bijna 1 procent – is overleden door stress, eenzaamheid, drank en zelfmoord. „Veel gezinnen zijn verscheurd”, zegt Turkenburg. „Moeders wonen met hun kinderen vaak ver van de centrale, terwijl de vaders in het besmette gebied bij de centrale werken – want veel ander werk is er niet. Sociale verbanden zijn verdwenen, het toekomstperspectief ontbreekt. Het dilemma is dan: evacueren of straling?”

De kosten lopen inmiddels op tot meer dan 200 miljard euro. De omgeving wordt uiteindelijk maagdelijk schoon, beloofde de Japanse regering. Maar als dat al ooit lukt, zal het zeker nog drie decennia duren. In de tussentijd hopen de deskundigen volgens Turkenburg dat zich niet opnieuw een soortgelijke aardbeving en tsunami voordoen. De kernramp die dat zou veroorzaken, kan wel eens groter zijn dan de vorige.