Politiek

‘De gevonden wapens gingen gewoon de plomp in’

De eerste Amsterdammers waren ambachts- en kooplieden. Géén boeren, zoals in geschiedenisboeken staat. Toen de monding van de Amstel omstreeks 1170 door een reeks stormvloeden bewoonbaar werd en een betere verbinding per schip met de Zuiderzee kreeg, trokken kooplui en handwerkslieden naar het huidige Damrak en Rokin. Zij waren het die de basis legden voor Amsterdam als scheepvaartstad en handelscentrum.

Nieuwe bewijzen hiervoor zijn te danken aan het bodemonderzoek bij de aanleg van de Noord-Zuidlijn, de metro die vanaf 22 juli Amsterdam-Noord met station Zuid verbindt.

Dat onderzoek stond onder leiding van stadsarcheoloog en hoogleraar Jerzy Gawronski (1955). Vanaf 2003 heeft hij, vertelt hij in zijn werkkamer bij het bureau Monumenten & Archeologie, soms met hulp van vijftig medewerkers tegelijk, onderzoek gedaan in de bouwputten van de spoorverbinding. Een uniek archeologisch project: nooit eerder is een rivier opgegraven. Het metrotracé loopt door de bedding van de Amstel, die vroeger door het hart van de stad stroomde.

De metrotunnels liet de stadsarcheoloog goeddeels links liggen. Die werden veel te diep geboord, in grondlagen uit de late ijstijd. Gawronski concentreerde zich op de bouwputten voor de stations. En dan vooral die in het historisch centrum, die de meeste informatie konden bieden over de vroege geschiedenis van de stad.

Vooral de bouwputten op het Damrak en het Rokin bleken een goudmijn. Die leverden het merendeel van de 700.000 bodemvondsten op.

Bekijk een grote selectie van voorwerpen die gevonden zijn in de bouwputten van de Nord-Zuidlijn.