Politiek

Waarom de patiënt zo lang moet wachten

Een reconstructie van de borsten na een operatie vanwege kanker. Tweeduizend vrouwen ondergaan jaarlijks zo’n ingreep. Zij kunnen kiezen voor een prothese, of voor een borstreconstructie met lichaamseigen materiaal. Het zijn zeer ingrijpende operaties.

Ideaal zou zijn: een reconstructie waarbij het eigen vetweefsel van de patiënt verplaatst wordt om een nieuwe borst te creëren. Dat is minder ingrijpend en de borst ziet er natuurlijker uit. De techniek om dit te doen bestaat ook al. Maar die is nog niet beschikbaar voor alle patiënten.

Hoe zorg je er als arts voor dat patiënten snel gebruik kunnen maken van nieuwe medische technieken? Hoe kom je zover dat je medische ontdekking wordt vergoed uit het basispakket voor verzekerde zorg? En hoe bewijs je dat de techniek beter is dan wat al bestaat, en misschien zelfs goedkoper?

Het kabinet vindt de drempel om nieuwe medische technologie vergoed te krijgen veel te hoog. Kleine ziekenhuizen, start-ups en mkb’ers lopen nu bijna altijd op tegen strenge regelgeving, waardoor bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe operatietechnieken stokt en patiënten er nooit van kunnen profiteren.

Een poging van het kabinet Rutte-II om die drempel te verlagen mislukte. De regeling voor ‘voorwaardelijke toelating’ die ex-minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) in het leven riep kwam niet van de grond, constateerde ze zelf ook al. Met meer dan 45 nieuwe technieken, medicijnen of medische uitvindingen werd sinds 2012 via die regeling geprobeerd het leven van grote groepen patiënten te verbeteren. Zestien daarvan kwamen in de regeling, slechts drie worden nu vergoed uit het basispakket.

Minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD) noemt de weg van een „goed zorgidee” naar de patiënt te „ingewikkeld, duur en tijdrovend”. Hij maakt daarom deze dinsdag bekend 105 miljoen euro uit te trekken voor het vereenvoudigen van de toegang tot het basispakket.

Dit zijn op dit moment de vier belangrijkste obstakels.

Obstakel 1: Je bent maar klein

Op de markt voor medische hulpmiddelen bewegen enkele reuzen als het Nederlandse Philips, het Duitse Siemens en het Amerikaanse Medtronic. Dat neemt niet weg dat de meeste makers van hulpmiddelen klein zijn; 95 procent van deze ondernemingen behoort tot het midden- en kleinbedrijf. Veel van dit soort bedrijfjes danken hun bestaan namelijk aan een ingeving van een onderzoeker in een academisch ziekenhuis of aan een technische universiteit. Om zijn idee voor een hulpmiddel te verwerkelijken richt de dokter of ingenieur een bedrijf op, dat in het begin per definitie een bedrijfje is. Voor kleine bedrijven is het lastig om alle kennis in huis te hebben die nodig is om een plaats te verwerven in het berucht ingewikkelde zorgstelsel van Nederland. Bedrijfjes die heel veelbelovend zijn, worden nogal eens opgekocht door een van de reuzen die wel de weg weten. De meeste kleine bedrijven blijven aangewezen op zichzelf.

Obstakel 2: De markt is wildwest

Waar de toelating van geneesmiddelen strak is ingesnoerd in regels, is de toelating van medische hulpmiddelen nauwelijks gereguleerd. Wie een medicijn op de markt wil brengen moet (grote) studies met mensen doen; de Europese toezichthouder, de EMA, toetst vervolgens op veiligheid en effectiviteit. Wie een hulpmiddel op de markt wil brengen, moet na een kleine studie een CE-keurmerk aanvragen bij een commercieel bureau, dat alleen kijkt of het product veilig is. Of een hulpmiddel echt werkt, moet blijken in de praktijk als artsen het gaan gebruiken en de resultaten bijhouden.

Dat lijkt makkelijk, maar is wel een probleem als een hulpmiddel vergoed moet worden. Het Zorginstituut, dat adviseert over het basispakket, wil dan weten of het middel effectief is. Terwijl dit bij medicijnen al is vastgesteld door de EMA, moet dit voor hulpmiddelen nog gebeuren. Dat betekent dat het bedrijf zelf alsnog grote studies moet opzetten. Dat is geen sinecure.

Lees ook: Waarom zijn innovatieve medicijnen in Nederland zo duur?