Politiek

Wat maakt iemand tot een goede Minister van Politie?

Vanaf vandaag zetelen op het departement van Justitie twee ministers: een van Justitie en Veiligheid en een voor Rechtsbescherming. Naar verluidt mag de laatste voor de politie zorgen. In het regeerakkoord is over die taak weinig vastgelegd. De politiebegroting wordt met een vast bedrag fors opgehoogd zodat meer wijkagenten en rechercheurs kunnen worden aangesteld. Beloofd is ook te kijken naar de verdeling van het politiepersoneel over het land.

Die terughoudendheid is vermoedelijk ingegeven door de verwachte publicatie van het tweede verslag van de commissie Kuyken die onderzoek heeft laten verrichten naar de toestand van de politie na ruim vier jaren van reorganisatie. Vooruitlopend op haar analyse en aanbevelingen wil men nog geen nieuwe koers bepalen.

Opgewassen

Elke donderdag de indrukwekkendste columns, nieuwsberichten en achtergronden over recht en maatschappij.

Stuur mij NRC Recht & Onrecht

Wie zich afvraagt wat de politie van deze twee bewindslieden kan verwachten, wendt bij gebrek aan voornemens de blik naar hun profiel. De liberale minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker heeft zich bij mijn weten over de politie niet publiekelijk uitgelaten. Met zijn onverwoestbare optimisme lijkt hij opgewassen tegen de taak om aan het parlement slecht nieuws te verkopen; hopelijk valt er voor hem meer te doen. Zijn christendemocratische collega van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus heeft wel uitgesproken opvattingen en ventileert die graag. Begin dit jaar publiceerde hij een handzaam boekje, getiteld Rafels aan de rechtstaat, dat een onorthodoxe analyse van problemen in de Nederlandse samenleving bevat en afsluit met een politiek actieprogramma.

Het biedt het vergezicht dat de meeste politieke partijen ontberen en waarvan de minister-president ronduit afkerig is. Grapperhaus meent dat de samenleving verdeeld is geraakt en dat het openbaar bestuur met zijn streven naar deregulering en vergroting van vrijheden die ontwrichting heeft bevorderd. Steen des aanstoots zijn de van burgers gevraagde financiële bijdragen, onder meer in de griffiekosten. Naar zijn opvatting sluiten die sociaal zwakke groepen van de samenleving uit. Grapperhaus wil die gegroeide maatschappelijke ongelijkheid ongedaan maken, opvallend genoeg vooral met justitiële middelen. Hij vraagt zich niet af hoe geëigend die voor dat doel zijn. Al met al verschillen de twee ministers zowel in opvatting als in opstelling. Dat roept de vraag op: welke bestuursstijl is het meest geschikt om de politie weer op de rails te krijgen?

Zonder pronkzucht

Op zoek naar een antwoord vond ik houvast in de deze zomer gepubliceerde memoires van Frits Korthals Altes, getiteld Zeven politieke levens, een volstrekt ander boek dan dat van Grapperhaus. Het is een dikke pil, voor de liefhebber met de charme van Het Bureau van Voskuil. Korthals Altes werd al op jonge leeftijd actief in de VVD en beschrijft tot in detail zijn bestuurswerk in die partij. Van zelfs de meest onbeduidende commissie worden trouw de leden vermeld. Even nauwgezet en zonder pronkzucht relateert hij – dossier na dossier – hoe hij zeven jaar lang als minister van Justitie met kennis van de instituties en respect voor regels en omgangsvormen besluiten naar zijn hand wist te zetten. Hij was het soort bestuurder dat het Nederlandse politieke bestel decennialang stabiliteit verschafte: partijpolitiek stevig verankerd, bestuurlijk heel pragmatisch, soms principieel. (tekst vervolgt na video – Korthals Altes vanaf 33.32)