Entertainment

‘Wanneer ga ik nou eens iets maken dat recht uit mijn ziel komt’

Plots zegt Daniël Arends, halverwege het interview: „Jij bent echt een mafkees jongen.” Hoezo, vraag ik. „Jij bent gewoon een mafkees. Je zag er zo normaal uit man.” Hij lacht er hard bij. Misschien ligt het aan mijn sceptische blik of toon, want hij voegt eraan toe: „Je moet een beetje vertrouwen dat ik echt open probeer te zijn.”

Daniel Arends

Daniël Joko Erik Arends (Jakarta, 1979) deed de Akademie voor Kleinkunst in Amsterdam. In 2003 werd hij lid van de Comedytrain. In 2006 won hij Cameretten.

Cabaretprogramma’s: Joko 79 (2006), Geen excuses (2008), Blessuretijd (2010), De zachte heelmeester (2012), Carte Blanche (2015), De Afterparty (2017).

Nominatie Neerlands Hoop voor zowel Geen excuses als Blessuretijd; Nominatie Poelifinario voor Carte Blanche.

Nu is er alle reden om Daniël Arends niet meteen te geloven op zijn hartelijke voorkomen (en je niet druk te maken als hij je uitdaagt). Op het oog is hij een charmeur, maar hij gedijt bij tegenspraak. Zeker op het podium, waar de cabaretier een ongrijpbare, nietsontziende en cynische grappenmaker is, een van de meest interessante van Nederland.

Momenteel reist de 38-jarige Arends door het land met zijn zesde programma, De Afterparty, waarin hij het concept ‘gezelligheid’ vermorzelt en beweert dat hij zich goed thuisvoelt bij de verhuftering van de samenleving. Wat hem zo goed maakt, is de flow waarmee hij het publiek in een ijzeren greep weet te houden.

Alle programma’s van de in Indonesië geboren en in Bussum opgegroeide Arends gaan over identiteit. De vraag is steeds: wie ben ik, wie is de mens? De grappen over dat hij geadopteerd is geven een extra, persoonlijke dimensie aan die filosofische kwestie. In Carte Blanche, zijn vorige programma, diepte hij de kloof uit tussen wie mensen denken te zijn (het imago dat ze koesteren), en wie ze werkelijk zijn.

In een Cubaans restaurant op de Nieuwmarkt in Amsterdam gaat het om te beginnen over een interview in het AD deze zomer waarin hij zei dat recensenten er niks van begrepen.

Wat zit je dwars? Dat Trouw schreef dat gelach om je negergrappen wel het weglachen van schuldbewustzijn zal zijn geweest?

„Dat vind ik zo nietszeggend, een insinuatie om interessant te doen.” Met een handgebaar alsof hij iets afhoudt: „Laat me erbuiten. Laat me buiten die discussie over ras, dat is het vooral. Ik haat het eigenlijk om in een voorstelling stukken over ras te hebben, of politiek.”

Het Parool had kritiek op je redenering dat iemand die wordt geweigerd bij een discotheek dat toch liever om ras dan om wie hij is zou laten gebeuren. Het tegenargument was: aan je karakter kun je werken, aan je huidskleur niet.

„Belachelijk. Hoe jij met gediscrimineerd worden omgaat, heeft toch met je karakter te maken? Wat ik doe, is een onderwerp van meerdere kanten benaderen. Het liefst ga ik alle posities af, zodat je niet weet hoe ik erover denk. En dat iedereen wel een keer denkt: ‘Nou zeg!’ Dat is de grap.

„Bovendien vind ik het hartstikke leuk dat ik zelf bruin ben. Daar moet ik grappen over kunnen maken. Dus roep ik: ‘Hé, medebruintjes, kom op, stel je niet zo aan.’ Dat is alles.”

Het Parool schreef ook dat je een stampvoetende kleuter bent die alleen wil optreden voor publiek dat je begrijpt.

„Jesus christ. Wat een mongool zeg. Ik zeg dat wel, maar dat is toch niet het hele verhaal? Ik probeer juist mensen te verrassen door onverwachte stappen te zetten.”

Hoe moet het publiek opvatten dat je zegt te zoeken naar contact en binding?

„Het enige wat ik echt meen in dit programma is de vraag: hoe vind je in het leven de manier om met elkaar verbonden te zijn? Het is een feit dat we één zijn. De wereld was er al voor wij verschenen en wij, de mensen, komen alleen maar langs. Contact zoeken is iets wat ik goed ken uit mijn leven. Dat probeer je en dat lukt niet. Pas als je het opgeeft, ontstaat er contact. Dan geef je namelijk ruimte aan het universum om de boel om te draaien.

„Soms is verbondenheid zoeken minder doen, en niet meer doen. Zoals bij veel dingen: het lukt pas als je het loslaat.”

Foto Andreas Terlaak

Is ‘De Afterparty’ een reactie op ‘Carte Blanche’, waarin je zei dat je was uitgeluld, waarbij je halverwege op het podium ging liggen met de suggestie dat de avond voorbij was?

„Nee. Wel denk ik: wanneer ga ik nou in godsnaam eens iets maken wat recht uit mijn ziel komt? Dat gaat over zelfvertrouwen, over je goed genoeg voelen. Wat ik doe zit er altijd tussenin. Ik voel me zo’n sneaky Aziaat.”

Waar kwam de impuls vandaan om te gaan liggen?

„Dat is zo’n moment van opgeven om tot echt contact te komen. Het is een truc. Ik heb de enorme drang om te zeggen: ik ben niet wat ik doe. Goede zangers kunnen dat ook. Zingen als een malle en tegelijk de zaal inkijken. Dat wil ik bereiken: dat het publiek voelt dat ik mijn ziel opentrek, en dat het materiaal ondergeschikt is.”

Wat zie jij bij je ziel opentrekken?

„Dat gaat over eenvoud, over kinderlijkheid. Zoals bij chef-koks die zich na jaren hard werken en de tweede Michelin-ster afvragen: waar werd ik vroeger nou zo ongelofelijk gelukkig van? En dan vanuit ‘fuck die sterren’ weer gaan doen wat ze willen. Waarna die derde ster komt aanwaaien. Zo zie ik mijn ontwikkeling voor me. Dat ik denk: wanneer ga je het nou opgeven?”

Wat zou je moeten opgeven?

„De drive die ik had om te horen bij de jongens die ik bewonder, is verdwenen. Daar ging Carte Blanche over. Nu ik bereikt heb wat ik dacht dat ik wilde bereiken, moet de drive zijn dat ik iets te geven heb. Ooit wil ik iets maken waarvan mensen denken: hij is echt veranderd als mens. Dat ik iets maak wat raakt aan een happening. Dan ben ik op mijn best: in spelen dat ik niet speel.”

Is dat waar je gelukkig van werd toen je als kind ontdekte dat je grappig was?

„Ik denk het wel. Ontregelen, manipuleren. De baas spelen. Dat is lastig aan groeien in cabaret. Op een gegeven moment moet je écht met mensen willen communiceren. Ik voel me er niet schuldig over dat ik moet zoeken naar de manier waarop ik dat moet doen.”

Hoort bij de zoektocht nog het ruige leven van uitgaan, drank, drugs?

„Zo langzamerhand passen die dingen niet meer in mijn leven. Roken met een kind thuis doe ik niet. Het drankmonster in mij moet af en toe gevoed worden. De kunst is er goed mee om te gaan en het niet te ver te laten komen.”

Je bent net weer in Indonesië geweest. Je hoeft niet te weten wie je biologische ouders zijn, heb je vaak gezegd. Verandert dat nog?

„Nee. Ik heb het gevoel dat ze toch al dood zijn. Ik wacht met zoeken tot het zeker niet meer mogelijk is. Dan ben ik er ook vanaf, toch?”

Waarom dan wel twee keer per jaar naar Indonesië?

„Eén of twee maanden per jaar woon ik daar, zonder gezin, in hetzelfde hotel. En ga ik met dezelfde mensen om. Als ik er ben, denk ik ook wel: wat moet ik hier nou? Zeker als ik geen dingen doe zoals veel roken en prostituees bezoeken. Ik blijf een toerist die geld heeft en altijd weg kan. Het is vrijheid. Ik hoef niks.

„Ik ben altijd goed geweest in zelftherapie. Misschien dat die bezoeken daar onderdeel van uitmaken. Al is er daar niks dat mij troost biedt.”

Wat biedt dan wel troost?

„Cabaret maken. Het podium biedt een intimiteit die ik aankan, omdat ik zelf de afstand kan bepalen. Ik heb ook een vrouw bij wie dat kan. Die mogelijkheid gebruik ik toch ook om dicht bij mensen te komen.”

Door: https://lyrics.az & https://azlyrics.com.az