Entertainment

In Parijs wachtte de vooruitgang

Beeldende kunst

Nederlanders in Parijs 1789-1914. Tot en met 7 januari in het Van Gogh Museum, Museumplein 6, Amsterdam. www.vangoghmuseum.nl

●●●●

‘De handel is hier traag’, schreef Vincent van Gogh in de herfst van 1886 vanuit Parijs aan een kennis. ‘Ze doen weinig of niets voor jonge kunstenaars. (…) Wat je hier wel kunt bereiken, is VOORUITGANG en verduiveld, die kun je hier vinden, dat durf ik te verzekeren.’

Van Gogh was in februari van dat jaar in Parijs aangekomen, waar zijn broer Theo bij een kunsthandel werkte. Hij was er meteen naar model gaan tekenen in het atelier libre van de bekende schilder Fernand Cormon, ‘maar ik vond dat niet zo nuttig als ik had verwacht’.

Hoewel dus zowel de verkoop- als de leermogelijkheden hem tegenvielen, bleef Van Gogh toch twee jaar in Parijs wonen en werken. Hij zag er veel oude en nieuwe kunst, leerde er schilders als Pissarro, Gauguin en Toulouse-Lautrec kennen en legde de stad en haar bewoners vast in een steeds helderder, kleurrijker palet. De stug en donker schilderende Brabander werd een neo-impressionist. In februari 1888 trok hij verder om in Zuid-Frankrijk op de zon te gaan jagen.

Artistieke kruisbestuiving

Tussen het einde van de achttiende en het begin van de twintigste eeuw vestigden zich meer dan duizend Nederlandse kunstenaars voor korte of langere tijd in Parijs, en om dezelfde redenen als Van Gogh: er werd degelijk onderwijs aangeboden op academies en in ateliers, de kunsthandel bloeide er, er waren beroemde kunstcollecties te zien en er werd (twee)jaarlijks een Salon georganiseerd: een monstertentoonstelling met duizenden werken van levende schilders.

Op den duur was Parijs ook aantrekkelijk voor kunstenaars omdat er zo veel kunstenaars woonden. Men trok samen op, steunde en beïnvloedde elkaar.

Het Van Gogh Museum wijdt nu een tentoonstelling aan de ‘artistieke kruisbestuiving’ tussen Nederlandse en Franse kunstenaars.

Acht Nederlanders in Parijs worden er uitgelicht: Jongkind, Van Gogh en Mondriaan natuurlijk, maar ook minder bekende schilders als Gerard van Spaendonck (1746-1822) en Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902).

Complex verhaal

Het siert het Van Gogh Museum – trekpleister voor toeristen met weinig tijd – dat het ruimte biedt aan zo’n kunsthistorische tentoonstelling, die inspanning vraagt van de bezoeker. De tentoongestelde werken illustreren een uitgebreid en tamelijk complex verhaal.

Wie keurig alle wandteksten of de stevige catalogus leest, begrijpt waarom Jacques Louis Davids portret van de diplomaat Jacobus Blaauw uit de National Gallery in Londen hier vlakbij een weelderig stilleven met bloemen en een ananas van Gerard van Spaendonck uit het Noordbrabants Museum hangt, en wat uiteenlopende schilders als Scheffer, Mauve en Picasso in de tentoonstelling te zoeken hebben.

Tijdreis naar Parijs

Je moet je dus echt inlezen om de verbanden te kunnen leggen. Maar dan kun je tijdreizen en leer je aan de hand van schilderijen die echt niet alleen uit historisch oogpunt interessant zijn iets over de kunstenaarspraktijk in Parijs in die turbulente eeuw.

Zo hangt er een gedurfd schemerig interieur van het atelier van David, waarin zijn privéleerlingen een mannelijk naakt zitten te tekenen en schilderen. En in Jan Sluijters’ Bal Tabarin (1907) dansen jonge Parijzenaars wild onder een waar hemelgewelf van pasteus geschilderde feestverlichting.

Maris op het platteland

De catalogus bevat ook nog een negende hoofdstuk over Jacob Maris, die in navolging van de School van Barbizon het platteland net buiten Parijs schilderde. Het verhaal van de Franse invloed op hem en de Haagse School wordt nu niet in Amsterdam verteld, maar wel in een afzonderlijke tentoonstelling die op 27 oktober opent in de (aan het Van Gogh Museum gelieerde) Mesdag Collectie in Den Haag.

Vanaf februari zijn alle negen onderdelen dan samen als één tentoonstelling te zien in het Parijse Petit Palais. Dan krijgt Parijs voor even haar Nederlanders terug.

Door: https://lyrics.az & https://azlyrics.com.az