Maatschappij

Piep piep! Bierblikje? Nee, daar ligt een Romeinse munt

Iedere week gaat Henk Sloots uit het Friese Ried een paar uur de akkers in de buurt op. Op zijn hoofd een koptelefoon en in de hand een Fisher Goldbug, zijn zesde metaaldetector in dertig jaar. De eerste, zelfgemaakt, staat nog op zolder. Hij luistert naar de piepjes en kijkt naar de uitslag van de meter. Uit ervaring weet hij dat het meestal niks is: aluminiumfolie, zilverpapier en lipjes van bierblikjes.

Een luide piep in combinatie met de meter die tussen de vijftig en tachtig uitslaat, geeft aan dat het wel de moeite waard is om met zijn schepje in de bouwvoor te gaan graven. Zo heeft hij de afgelopen dertig jaar honderden munten, ringen en mantelspelden uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen gevonden.

Gouden ring met klauwzetting en steen van bergkristal (1575-1625). Portable Antiquities of the Netherlands

Zoals Sloots zijn er een paar duizend, schatten archeologen Stijn Heeren en Nico Roymans van de Vrije Universiteit. „In de jaren zeventig en tachtig kwam het gebruik van de metaaldetector op. In Nederland was het verboden, maar werd het oogluikend toegestaan”, vertelt hoogleraar Roymans, gespecialiseerd in de Romeinse Tijd in de Lage Landen. Zelf onderhield hij wel contacten met ‘zoekers’ en daarom mocht hij zo nu en dan collecties bekijken. „Maar dan keek ik alleen naar wat interessant was voor mijn eigen onderzoek.” Er bestond dus geen algemeen inzicht in wat, waar en hoeveel de zoekers hadden gevonden.

Brits voorbeeld

Sinds vorig jaar is metaaldetectie onder voorwaarden toegestaan. Reden voor Heeren en Roymans het project ‘Portable Antiquities of the Netherlands (PAN)’ te beginnen. NWO heeft 1,8 miljoen euro gegeven om vier jaar lang – daarna neemt de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed het over – privé-collecties van zoekers te inventariseren en de gegevens ervan op te slaan in een openbaar toegankelijke database. „Dat is vooral nodig voor de collecties van de eerste zoekers, die inmiddels door ouderdom zijn gestopt”, zegt Roymans. „Nu kunnen ze hopelijk nog vertellen waar ze iets hebben gevonden, maar straks niet meer.”

Na vier of vijf uur zoeken zijn we het wel weer beu

Als voorbeeld dient het ‘Portable Antiquities Scheme’ in Engeland en Wales, dat dertig jaar na het begin meer dan een miljoen door zoekers gedane vondsten bevat.

PAN werkt met zeven vondstregistratoren, die bijeenkomsten van zoekers bezoeken, contacten leggen, en vondsten bestuderen en fotograferen. Anders dan bij het Engelse voorbeeld, waarbij iedere vondst individueel wordt beschreven, wordt bij de documentatie uitgegaan van ideaaltypen. „Door volgens een vast stramien te beschrijven willen we een standaard zetten, zodat PAN straks gemakkelijk te koppelen is aan andere Europese databanken” zegt Roymans. „In België en Denemarken zijn ze namelijk ook bezig.” Per vondst zijn er een foto, een tekening, literatuurverwijzingen en een kaartje van de gemeente waar de vondst is gedaan.

Zilveren munt, geslagen tussen ca. 850-873 in Wijk bij Duurstede. Portable Antiquities of the Netherlands

„Hij ziet er prachtig uit”, zegt Fredo van Berkel uit Ammerzoden over de begin mei gelanceerde website. Van Berkel begon met zoeken op zijn twaalfde, 38 jaar geleden, na de vondst van een zilveren dubbeltje uit 1849 op een oud kerkhof. Iedere vrije dinsdag gaat hij erop uit, vaak met zijn vrouw, die ook zoekt. „Zij gebruikt een detector die ik een keer heb gewonnen bij een wedstrijd van De Detector Amateur. Zelf heb ik al weer zes, zeven jaar een XP Goldmax. We gaan met de auto. Vijftig kilometer rijden is het maximum. En na vier of vijf uur zoeken zijn we het wel weer beu.”

Marktplaats en Catawiki

Zijn zoekterreinen bepaalt Van Berkel aan de hand van oude kaarten en natuurlijke omstandigheden: „Mensen hebben vroeger altijd op stroomruggen gewoond” – ofwel op oeverwallen langs een verdwenen rivierloop. Hij schat dat zijn collectie uit ongeveer 5000 vondsten bestaat. De waarde ervan zit hem in de geschiedenis erachter. Daarom verkoopt hij alleen ‘moderne’ dingen als gespen en knopen, allemaal van na 1600. „Via Marktplaats of Catawiki. Van het geld laat ik bijzondere vondsten restaureren.”

Bronzen speerpunt (1500 vChr – 500 vChr.) die in 2016 is gevonden. Portable Antiquities of the Netherlands

Sloots en Van Berkel hebben nooit het idee gehad dat ze iets illegaals deden: ze vroegen keurig toestemming aan landeigenaren en meldden hun meest bijzondere vondsten bij een archeoloog of provinciaal museum. Toch is de relatie tussen de officiële archeologie en de zoekers vaak moeizaam geweest. Veel zoekers hadden het idee niet serieus genomen te worden of waren bang dat hun vondsten ingenomen zouden worden. Van Berkel: „Zoekers bellen me met de vraag of ik meedoe met PAN. En dan zeg ik dat ik enthousiast ben. Het mooie van dit systeem is dat je afgeeft wat je wilt. Het is verder de bedoeling dat zoekers zelf vondsten kunnen invoeren. De vinder en de vindplaats blijven op de website afgeschermd.”

Voor een selectie van onderzoekers en gemeentelijke en provinciale beleidsmedewerkers willen de initiatiefnemers een uitzondering maken, vertelt Stijn Heeren. „Zij krijgen wel inzage in het afgeschermde deel met de precieze GPS-gegevens van vindplaatsen. Een beleidsmedewerker kan dan zien of ergens een concentratie is en eventuele bouwplannen aanpassen. Bovendien krijgen onderzoekers inzicht in de verspreiding van bepaalde vondsten.”

Bij Ried heeft Sloots bijvoorbeeld een concentratie van Romeinse munten gevonden. „Vooral uit de derde eeuw” Verder rekent hij een vroegmiddeleeuws zwaardknopje van almandijn tot zijn bijzondere vondsten. Beide ontdekkingen zijn door archeologen nog niet goed onderzocht.

Volgens de Britse archeoloog Sam Hardy worden in Engeland en Wales, waar metaaldetectie al lang is toegestaan, de meeste ontdekkingen van zoekers niet onderzocht omdat ze helemaal niet worden gemeld. In een recent artikel in Cogent Social Sciences stelt hij op basis van het aantal leden van zoekersfora en Facebook-pagina’s dat er zeker 24.000 zoekers actief zijn, terwijl er in het Portable Antiquities Scheme maar zo’n vierduizend zijn geregistreerd. Op basis van online terug te vinden enquêtes over hoe vaak zoekers op pad gaan en hoeveel ze gemiddeld vinden schat hij dat er minstens twee miljoen vondsten meer zijn gedaan dan zijn aangemeld. Hij concludeert dat in Engeland en Wales de schade verhoudingsgewijs groter is dan in landen waar metaaldetectie verboden is.

Romeinse munt met beeltenis van keizer Honorius, geslagen in Ravenna (402-406), mogelijk ook als hanger gebruikt:. Portable Antiquities of the Netherlands

De vraag is of in Nederland dat gevaar na de legalisering van metaaldetectie ook bestaat. Heeren denkt van niet. „We zien nu een sterke stijging van het aantal meldingen in Nederland, ook van buiten het ons bekende netwerk, dus dit lijkt in Nederland veel minder te spelen.” Toch houden hij en Roymans Hardy’s getallen voor Nederland in gedachten: er zouden ruim 5300 zoekers zijn en die zouden meer dan 400.000 vondsten hebben gedaan. Zelf denkt Heeren dat hier minder zoekers actief zijn. „Maar ik ga wel een enquête onder zoekers houden voor een beter beeld.” Tot nu toe bevat de database ruim 11.000 vondsten van 122 zoekers.