Politiek

Over de Joodse tegoeden is nog steeds chagrijn

Het is zeventien jaar geleden dat in Nederland akkoorden werden gesloten over de teruggave van Joodse oorlogstegoeden, maar het chagrijn is hier en daar nog vers. De hoofdrolspelers van de onderhandelingen – regering, verzekeraars, banken en beurs tegenover Joodse organisaties – waren voor het proefschrift van Christiaan Ruppert bereid terug te blikken, en daarbij bleek nog veel oud zeer.

Dat geldt niet zozeer verzekeraars en regering. Die zijn vooral trots dat eind jaren negentig alsnog morele aansprakelijkheid is aanvaard dat geroofd Joods kapitaal na de Wereldoorlog niet volledig was teruggegeven. Dit mondde uit in compensatie, eind 1999 door de verzekeraars en in 2000 door rijk, beurs en banken. Het chagrijn zit vooral bij banken en beurs, maar ook bij de vertegenwoordigers van Joodse organisaties.

De banken vinden dat ze te veel hebben betaald. Volgens George Möller, beursdirecteur ten tijde van het akkoord, is er „een spel gespeeld”. Hein Blocks, directeur van de Nederlandse Vereniging van Banken, zegt dat het „als chantage werd ervaren”. Toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm (VVD) begrijpt dat nu wel: „Er zat geen redelijkheid meer in het proces.” Ronnie Naftaniel, de belangrijkste onderhandelaar namens het Centraal Joods Overleg (CJO): „Met Möller en Heemskerk [Vereniging voor de Effectenhandel] viel geen land te bezeilen.”

Wie zulke persoonlijke wrevel slechts als roddel en achterklap wegzet, moet zijn oordeel bijstellen na lezing van het proefschrift Eindelijk ‘restitutie’. De totstandkoming van Nederlandse akkoorden over Joodse oorlogstegoeden (1997-2000) waarmee Ruppert (62) woensdag doctor in de rechtsgeleerdheid werd aan de Vrije Universiteit. Persoonlijke verhoudingen blijken essentieel te zijn geweest voor succes of falen in deze onderhandelingen. Daarna kwamen pas historische onderbouwing of technische argumenten.

Akkoorden met de Joodse gemeenschap

Verzekeraars (nov. 1999)

50 miljoen gulden (ruim 22,5 miljoen euro), waarvan 20 miljoen naar individuele claims.

Regering (maart 2000)

400 miljoen gulden (ruim 180 miljoen euro).

Banken, beurs (juni 2000)

264 miljoen gulden (bijna 120 miljoen euro).

„Bij onderhandelingen zie je altijd iemand die zijn nek uitsteekt”, licht Ruppert toe. Bij de verzekeraars is dat Eric Fischer, directeur van het Verbond van Verzekeraars. Bij de rijksoverheid is dat Gerrit Zalm, die zich als minister „kapotschaamt” voor de zogeheten Liro-affaire. De ontdekking van een archief van de door de nazi’s gebruikte Liro-bank in 1997 toonde aan dat ambtenaren eind jaren zestig onderling kleinoden hadden geveild die in de oorlog van Joden waren geroofd.

Zalm, die zelfs even overweegt af te treden, biedt al bij de eerste ontmoeting met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap excuses aan voor de gang van zaken. In het interview dat hij in 2013 aan Ruppert geeft, onderstreept Zalm het belang van persoonlijke verhoudingen: „Ik vermoed dat als er iemand anders [dan hij] had gezeten, de kans groot was dat het anders gelopen was.” Zalm, zegt Ruppert nu, werd op zeker moment aangeduid als „minister van Joodse zaken”.

Dat het met banken en beurs zo moeizaam verliep, heeft volgens Ruppert verschillende oorzaken. Anders dan het Verbond van Verzekeraars heeft de Nederlandse Vereniging van Banken niet het mandaat van de banken. Zodoende kan bankenonderhandelaar Hein Blocks door de tegenpartij achteraf worden gekarakteriseerd als iemand die wel ‘deugt’, maar die „geen veer kon wegblazen”. Het helpt ook niet dat de banken niet hun hoogste bazen afvaardigden, maar eerder hoge stafmedewerkers van de juridische afdeling. „Die zitten vaak zo”, zegt Ruppert, en hij legt zijn armen over elkaar op de borst: defensief.

Als het bij humeurigheid was gebleven, hadden de bevindingen van Ruppert hooguit anekdotische betekenis gehouden. Maar hij stelt dat de persoonlijke verhoudingen regelrecht van invloed waren op de hoogte van het overeengekomen compensatiebedrag. Als de banken zich in de kwestie van de Joodse effecten beter hadden verstaan met de onderhandelaars voor de Joodse gemeenschap, zegt Ruppert, dan hadden ze misschien 100 of 150 miljoen gulden (45 tot 68 miljoen euro) moeten betalen in plaats van de 264 miljoen gulden die ze ten slotte zijn overeengekomen. „Als er geen vertrouwen over en weer is, wordt het proces op macht beslist.”