Politiek

Het ware verhaal achter de adoptie van Hans Neijman

Een mailtje van Hans Neijman (56) uit Hendrik-Ido-Ambacht. Vijf maanden na zijn geboorte, schrijft hij, werd hij geadopteerd door een kinderloos echtpaar uit Amsterdam en hij wist nooit beter dan dat zijn biologische moeder te jong was geweest om voor hem te zorgen. Daarom had ze hem afgestaan. Plausibel verhaal, vond hij. Tot hij achter de waarheid kwam. Toen was hij met stomheid geslagen. Wat een hypocrisie. Nu zijn adoptieouders zijn overleden wil hij er graag een keer over vertellen.

Een paar weken later zit hij thuis met de koffie klaar. Hij praat eerst wat over zijn werk – fiscaal jurist bij de Belastingdienst – en laat foto’s zien van de reis naar Mexico die hij met zijn vrouw gemaakt heeft. Dan begint hij over vroeger. Hoe zijn adoptieouders – „schattige mensen” – al op zijn derde tegen hem zeiden dat er nog een andere moeder was. Hoe hij in zijn puberteit eens in het telefoonboek van Amsterdam was gaan zoeken naar haar naam. Keuning. Jenny Keuning. „Maar er bleken heel veel Keunings te zijn, dus dat schoot niet op.” Daarna dacht hij: waar zal ik me druk over maken.

Maar toen, in 1990 – hij was al getrouwd, de tweede was op komst – kreeg hij een brief van een maatschappelijk werker. Of hij hem eens wilde bellen. „Ik was in die tijd vrijwilliger bij de Dierenambulance en we hadden wel eens alternatief gestraften die klusjes voor ons deden. Dus ik dacht: daar zal het over gaan. Ik bel die man op en hij vraagt: kunt u vrijuit praten? Ik zeg: ja, hoor. Ik zat op kantoor, het was lunchpauze. Hij zegt: weet u dat u geadopteerd bent? Ik wist meteen wat er aan de hand was. Mijn moeder was naar me op zoek.”

De maatschappelijk werker zei dat ze elkaar eerst maar eens een brief moesten schrijven. Die van haar begon met hoe ze eruitzag. Die van hem begon met hoe hij eruitzag – ‘zelf ben ik 1,78 m. lang, heb grijsblauwe ogen en donker haar’ – en dat ze dus op elkaar leken. Daarna werd er een ontmoeting gearrangeerd in het kantoor van de FIOM (organisatie voor ongehuwde moeders) in Amsterdam. „Daar zit ze dan op je te wachten”, zegt Hans Neijman. „Zij begon te huilen, ik niet. Ik ben naar haar toe gelopen en heb haar omarmd. Daarna hebben we elkaar wel een paar minuten zitten aankijken. Goh, jij dus.”

Jenny Keuning (75) was op haar zestiende zwanger geworden, met opzet, want dan moest ze trouwen en kon ze de deur uit. Na anderhalf jaar was het huwelijk voorbij. Omdat ze nergens anders kon wonen, ging ze met haar zoontje terug naar haar ouders. En toen kreeg ze Hans. Of Freddy, zoals zij hem noemde. Freddy Keuning. „Ik vroeg hoe dat dan was gegaan bij mijn geboorte. Nou, zei ze, er was een groot laken voor mijn buik gehangen, waardoor ik niks kon zien, en na afloop werd je meteen weggebracht. Ze had me horen huilen. Ik vroeg natuurlijk ook wie mijn vader was. Daar wilde ze geen antwoord op geven. Pas maanden later, toen ik bleef vragen wie mij verwekt had, kwam de clou. Dat was gewoon haar vader. Haar stiefvader.”

Een klap in zijn gezicht, zegt hij. Hij kon zijn oren niet geloven. Zelf was hij zo liefdevol grootgebracht, hoe kon een man zoiets doen? Hij begon aan zijn eigen identiteit te twijfelen, zijn bestaansrecht. Hij was geen ongelukje geweest, maar het gevolg van verkrachting. „En er kwam nog meer boven water, want Jenny was zelf het kind van een Duitse soldaat. Haar moeder was zestien toen ze geboren werd. ‘Maar Jenny’, zei ik, ‘wist je moeder dan niet wat je stiefvader met je deed?’ Ja, dat wist ze wel. ‘Waarom heeft je moeder dan niet ingegrepen?’”

Het duurde een poosje voordat hij kon denken dat hij zichzelf niets hoefde te verwijten. Maar hij heeft het nooit kunnen opbrengen om zijn vader, Jenny’s stiefvader, op te zoeken. Hij wilde niet eens weten hoe zijn vader heette of wat voor man het was. En daar heeft hij nu een beetje spijt van. Hij had hem wel eens willen confronteren met zijn daden. „Ik had het aangekund, ik ben er stevig genoeg voor. Aan de andere kant: ik zou wel bang zijn geweest voor de gevolgen. De hele familie was altijd gewoon met hem blijven omgaan. Niemand had het contact verbroken, ook Jenny niet.”

Twee jaar geleden, zijn vader was allang dood, durfde hij voor het eerst aan Jenny te vragen hoe hij er eigenlijk had uitgezien. Ze gaf hem een videoband waar hij op stond en een foto. Hans Neijman laat hem zien. Een ouwelijke man met achterovergekamd haar, kalend. Dikke sokken in Bata-sandalen. Ze lijken niet op elkaar.

Weer een paar weken later zit Jenny Keuning in haar huis in Amsterdam-Noord met de koffie klaar. Hans belt om te zeggen dat hij in de file staat en zij begint over haar moeder te vertellen. „Ik was acht toen ze me aan het werk zette, wassen en boenen en op mijn broertjes passen. Op mijn veertiende zei ze: ik wou dat je nooit geboren was. Het was altijd zuipen, altijd vechten. Mijn stiefvader, als hij niet bij mijn moeder mocht, pakte hij mij. Daarom ben ik zo jong getrouwd. Ik wou weg. Na een jaar, kom ik thuis, ligt mijn man met een ander in bed. Ik naar Hulp voor Onbehuisden, naar de politie, naar alle instanties die ik kon bedenken. Maar niemand helpt je, hè. Ik moest terug naar mijn ouders. En daar begon het weer van voren af aan. Op een gegeven moment zeg ik tegen mijn opoe: ik denk dat ik zwanger ben. O, o, o. Van die zwerverd? Die viezerik? Zij naar mijn moeder: Jenny is zwanger van die viezerik. Nou, dat kon helemaal niet, dat was niet waar. En ik mocht het ook niet houden. Ik moest voor de geboorte afstand doen. In het ziekenhuis zei ik: dat wil ik niet. Nou, zeiden ze, uw moeder heeft het gezegd en zo gebeurt het. Ik kan nog steeds niet begrijpen” – ze huilt – „waarom mijn moeder altijd zo gemeen tegen me was.”

Na Hans’ geboorte trouwde Jenny opnieuw. Ze kreeg een dochter, haar man overleed. En toen, op haar achtenveertigste, ontmoette ze via een huwelijksbureau de liefde van haar leven: Joop. Hij was degene die haar stimuleerde om op zoek te gaan naar de zoon die ze had afgestaan. „Achteraf denk ik: mijn oudste zoon is toen erg jaloers geweest. Hij bleef maar vragen of hij wel de liefste was. Zei ik: jullie zijn alledrie de liefste. Ja, zei hij, maar ik was de eerste.” Ze huilt weer, nu omdat haar oudste zoon overleden is.

Dan gaat de bel, Hans komt binnen. Zijn moeder omhelst hem en huilt nog harder. Hij drukt haar tegen zich aan en zegt: „Kijk, ik heb soep voor je meegenomen.”

„Ach”, zegt ze, haar tranen drogend. „Wat ben je toch een schatje.”

„En een pot jam”, zegt hij. „Die heeft Roxanne voor je meegenomen uit Londen.” Roxanne is zijn dochter.

Ze gaan zitten, verlegen opeens. Het idee van dit bezoek was dat Hans aan zijn moeder zou vragen hoe zijn vader heette. Maar dat doet hij niet. Hij zegt: „Ik ben niet het slachtoffer, hè. Het enige slachtoffer is zij.” Hij wijst naar haar.

Zij zegt: „Wist je dat ze hem een keer gearresteerd hebben?”

„Wie?”, zegt hij. „Mijn eh…?”

„Die viezerik, ja. Dat kwam door Frans.” Dat was haar tweede man. „Hij had hem aangegeven, om wat hij met mij gedaan had.”

„En toen?”, vraagt Hans.

„De politie vroeg aan mijn moeder of het waar was. ‘Nee’, zei ze. Ze vroegen het ook aan mij. Ik zei: ‘ja’. Ik zei: ‘Grote Bickersstraat 87. Als hij gezopen had en hij mocht niet bij mij moeder, dan eh…’ Ik zei: ‘het gebeurde op tafel, daar en daar.’ Maar de politie geloofde me niet. Ze vroegen niets aan mijn opoe, niets aan mijn moeders zusters, die het allemaal wisten. Een van die zusters had ook een kind van hem.”

„Mag ik jou nou eens wat vragen?”, zegt Hans. „Heeft mijn eh… heeft hij er bij jou op aangedrongen om abortus te plegen?”

„Nee”, zegt Jenny. En daarna: „Ja.”

„Ja?”

„Ja. We waren in Putten, in een vakantiehuisje van Lucas Bols, daar werkte hij. En toen wilden ze me helpen om het kwijt te raken.”

„Ze?”

„Mijn vader en moeder. Ze gaven me een drankje en toen kwam mijn moeder met een tangetje. Zij zou het doen. Ik geloof dat ik heel Putten bij elkaar geschreeuwd heb, dus dat is niet gelukt.”

„Goh”, zegt Hans. „Goh. Dat heb ik nooit geweten. Nee. Dat wist ik niet. Dan was ik er dus niet geweest.”

Jenny staat op en pakt een boekje uit het buffet. Het is haar trouwboekje. Ze geeft het aan Hans, die erin begint te bladeren. „Hé”, zegt hij. „Hij heette Gerardus Marinus Keuning. Dezelfde namen als ik. Was dat jouw idee?”

„Dat weet ik niet meer, hoor”, zegt Jenny. „Hoe moet ik dat weten? Wat kon ik doen? Zij hadden de macht over mij.”

Hans legt haar hand op haar arm. „Misschien had het ziekenhuis het bepaald.”

Ze lacht naar hem. „Voor mij heette je niet zo, hè. Voor mij heette je Freddy.”

Moeder en zoon

Jenny Keuning (Amsterdam, 1941) is de dochter van een Duitse soldaat en een schoonmaakster. Ze werkte zelf ook haar hele leven als schoonmaakster.

Hans Neijman (Amsterdam, 1961) is haar tweede zoon, bij zijn geboorte noemde ze hem Freddy Keuning. Na het gymnasium studeerde hij rechten. Sinds 1982 werkt hij bij de Belastingdienst.